Speel je mee?

De film in het kort

Situatie 1 Anne met beginnende dementie woont in een groep

Anne (61 jaar) pakt een spelletje uit de kist met spelletjes. Het spel noemt ze Krokodillen. Voor haar liggen twee kaartjes: de kop en de staart van een krokodil. Ze gooit de dobbelsteen en legt aan Leendert uit wat hij moet doen. Als alle kaartjes op zijn telt Anne de twee lange krokodillen. Met 15 kaartjes heeft zij gewonnen.

Situatie 2 Anne met meer dementie

Anne (62 jaar) zit aan tafel met hetzelfde spel en kijkt rond. Ze wijst op de kaartjes van kop en staart van de krokodil. Die hebben op alle twee witte laarzen aan. ’Zoals het hoort’, zegt Anne. En dan aarzelt ze en zegt: ’Het gaat niet.’ Leendert corrigeert haar. Ze lijkt te twijfelen, maar als hij zegt dat zij meer kaartjes heeft dan hij, lacht ze weer.

Situatie 3 Anne, duidelijk ouder en met gevorderde dementie

Anne (63 jaar) zit aan tafel met de doos kaartjes van hetzelfde spel. Anne pakt wat kaartjes uit de doos, kijkt ernaar en legt ze op tafel.

Alle beelden in deze casus zijn uit het leven gegrepen.

Thema

Het thema van deze lesbrief is verlies van vaardigheden. De achteruitgang van de dagelijkse vaardigheden is een belangrijk aspect van de hersenziekte alzheimer-dementie. Dat zie je terug in een combinatie van geheugenverlies en vertraging in denken en doen. Misschien lukken dagelijkse handelingen nog wel als de persoon meer tijd krijgt tijdens de begeleiding of zorg. Meer informatie vind je hier.

De casus ‘Ik ben Anne’ gaat in op haar levensverhaal en hoe de dementie begon (de weg kwijt). Hij geeft ook context aan de andere casussen, daarom is het raadzaam de film Ik ben Anne steeds opnieuw te bekijken.

Algemene vragen

  1. Wat zie je en wat valt je daarbij op?
  2. Wat kan er aan de hand zijn?
  3. Wat valt je op aan de reacties van Leendert in situatie 1 en 2?
  4. Welke verschillen zie je in de fysieke omgeving tussen de drie situaties?
  5. Hoe kan je Anne helpen? 

Deel deze casus met anderen

Verdiepingsvragen

  1. Welke situatie vind jij het lastigst om mee om te gaan? En waarom?
  2. Met welke veranderingen kun je het spel in deze situaties aanpassen?
  3. In welke situatie zou jij kiezen voor een ander spel?
  4. Wat kan het met groepsgenoten doen als de persoon met dementie ineens niet meer goed meespeelt? Hoe kan je dat aan ze uitleggen?
  5. Als jij zoiets zou meemaken, wat zou dit dan met jóu doen? Heb je ervaringen die hierop lijken? 

Je kunt op verschillende manieren reageren als je iemand met dementie vertwijfeld ziet kijken: hoe moet dat ook alweer? Dat zorgt voor angst en onzekerheid, maar ook voor onbegrip en ergernis bij de omgeving. Je moet jezelf de vraag stellen of je gericht bent op ontwikkeling of beleving. Wat voor de persoon nog prettig is, staat centraal.

Wat wel werkt of juist niet, is steeds weer anders en voor een deel onvoorspelbaar.

De oplossing moet altijd bij jou als zorgverlener of mantelzorger liggen. Je komt steeds voor vragen te staan, vaak met ethische kanten.

Wat wel werkt of juist niet, is steeds weer anders en voor een deel onvoorspelbaar.

Meer weten over omgaan met verminderende vaardigheden? In de Wegwijzer verstandelijke beperking en dementie vind je 100 praktijkvragen en antwoorden. Op pagina 292-295 staat hoe de rol van begeleiders en familie verandert bij dementie. En op pagina 342-345 lees je wat een dementievriendelijke inrichting is. Een papieren exemplaar is verkrijgbaar via reguliere boekhandels.

Stellingen

  1. Als iemand met dementie een spel niet meer snapt, moet je de regels aanpassen.
  2. Zelf doen is altijd beter, want van fouten leer je.
  3. Een professional moet voorkomen dat een activiteit te veel vraagt van iemand met dementie.
  4. De (spel)regels kwijt zijn zorgt niet alleen voor onrust bij de persoon zelf, maar ook altijd bij groepsgenoten.
  5. Een belevingsgerichte begeleiding voorkomt dat iemand met dementie zich verveelt.